|
|
|
 |
 |
 |
 |
DATARAZZIA |
 |
|
|
Mr.Dr. C.P.M. van Houte,
De stichting als rechtsvorm voor asset protection
In de huidige maatschappij staat men als burger, in het bijzonder als beroepsbeoefenaar of ondernemer, steeds meer bloot aan aansprakelijkstellingen. Deze risico's kunnen aanleiding zijn om de eigen positie nauw onder de loep te nemen en in bescherming te nemen. In de internationale (Amerikaanse) literatuur wordt in dat verband wel gesproken van zogenoemde "asset protection".1 Een asset protection-programma (APP), ook wel programma van vermogensbescherming geheten, kan, mits op juridisch juiste wijze opgezet een effectieve verdedigingslinie tegen al te vrijpostige aanspraken (aansprakelijkstellingen) opleveren. In de Anglo-Amerikaanse wereld wordt bij het opzetten van een APP vooral van de trust gebruik gemaakt. Deze figuur is in de Nederlandse rechtssfeer minder goed hanteerbaar, omdat de trust uitsluitend in Nederland erkend wordt bij de relatie met een trustland.2 In Nederland zal de stichting een prominente rol binnen een APP kunnen vervullen. In dit artikel zal dan ook de stichting als rechtsvorm binnen een APP worden behandeld. Daarbij wordt zowel op de civiel-als fiscaalrechtelijke implicaties ingegaan.
1. Algemeen In de huidige maatschappij zijn meer financiële risico’s aanwezig dan ooit. De aanwezigheid en omvang van deze risico's kan niet worden beperkt. Er kan hooguit sprake zijn van een herverdeling daarvan. Deze herverdeling vindt plaats via methodieken, zoals verzekeren (risico-afwenteling), uitsluiting of beperking (bijv. via exoneratie-clausules in algemene voorwaarden, huwelijkse voorwaarden en gebruik van rechtspersonen). Aan elk van deze methodieken zijn voor-en nadelen verbonden. Verzekeren is relatief duur.3 Bovendien zijn niet alle risico's verzekerbaar (bijvoorbeeld algemene bedrijfsrisico's). Uitsluiting van risico's is niet altijd mogelijk.4 Het gebruik van huwelijkse voorwaarden is evenmin altijd effectief.5 Rechtspersonen bieden in beginsel wel een effectieve bescherming, behoudens in geval van misbruik (onrechtmatige daad of onbehoorlijk bestuur).6
1 Jim Bennett, Bulletproof Offshore Asset Protection, The Jim Bennett Institute, Texas, USA, 1999 en Steven Sears, Wealth & Asset Protection Strategies, Equinet Publishing, 2001. 2 Art. 13 Haags Trustverdrag; zie hierover H.L.E. Verhagen, Het Haagse trustverdrag, gepubliceerd in Vetrouwd met de trust, Trust and trust-like arrangements, Serie Onderneming en Recht, deel 5, W.E.J. Tjeenk Willink, 1996, blz. 69-123. 3 Immers, uit de premies dient ook de winst van de verzekeraar te worden betaald. Door het verschijnsel van auto-selectie zal bovendien de groep die zich verzekert onder omstandigheden aan een hoger risico blootstaan dan de gehele groep (verzekeringsnemers en niet-verzekerningnemers), waardoor de premie hoger is dan het gemiddelde risico rechtvaardigt. 4 Zie art. 6:237, letter f BW voor beperkingen waaraan exoneratieclausules zijn onderworpen. 5 Zie art. 61 Faillissementswet en B. Wessels, Nederlands Tijdschrift Burgerlijk Recht, 2000/9-10, blz. 482
485. 6 Zie o.m. HR 25 september 1957, NJ 1957, 514, HR 20 maart 1959, NJ 1959, 581 en HR 25 september 1981, NJ 1982, 443 en voor stichtingen: HR 9 mei 1986, NJ 1986, 792.
Ongeacht de relatief grote effectiviteit van vorengenoemde instrumenten, kan het raadzaam zijn om naast deze middelen een extra verdedigingslinie neer te zetten. Deze verdedigingslinie kan haar functie permanent vervullen, maar eventueel ook latent aanwezig zijn en eerst bij noodgevallen worden geëffectueerd.7
2. Asset protection Het basisprincipe van asset protection is het van de debiteur afzonderen van diens te beschermen vermogen, zodat dat vermogen niet langer vatbaar is voor verhaal door zijn (bestaande of toekomstige) schuldeisers. Door de juridische afzondering van het vermogen in een separaat rechtssubject wordt verhaal op het afgezonderde vermogen onmogelijk. Immers, uitsluitend het eigen vermogen is verhaalsobject.8 Een vonnis tegen de debiteur kan in beginsel niet worden geëxecuteerd tegen het rechtssubject waarin diens vroegere vermogen is afgezonderd.9 Asset protection beoogt dus een civielrechtelijke scheiding aan te brengen tussen de debiteur enerzijds en (de verkrijger van) zijn vermogen anderzijds.
Schematisch weergegeven:
"Firewall"
Rechtssubject
Separaat rechtssubject (de stichting) Crediteuren Vermogensafzondering
Er bestaan verschillende vormen van vermogensafzondering. Voor natuurlijke personen is een van de meest gebruikte vormen die van huwelijkse voorwaarden10 en van
11 12
uitsluitingsclausules.Voor ondernemers wordt veelal gebruik gemaakt van de BV-vorm. Voor een afscherming van het vermogen tegen privé-crediteuren kan een asset protectionprogramma uitgevoerd met een stichting goede diensten bewijzen. Hierna zal ik mij concentreren op asset proctection door middel van de stichting als vehikel voor vermogensafzondering. Daarbij worden na een behandeling van de basisvoorwaarden voor asset protection, de civielrechtelijke aspecten toegelicht (in het bijzonder het verschijnsel vereenzelviging). Tot slot wordt stilgestaan bij de belangrijkste fiscale implicaties.
7 Zoals certificering in combinatie met een x%-regeling of zetelverplaatsing in geval van oorlog; over dit laatste; zie E.A. Ariëns, Asset-protection naar Zwitsers vennootschapsrecht, de Elzevierconstructie, TVVS 1987/1. 8 Dat is in beginsel het gehele vermogen; art. 3: 278 BW. 9 Behoudens in geval van civielrechtelijke vereenzelviging van debiteur en het afzonderlijke rechtssubject, paulianeus handelen of onrechtmatig handelen van het afzonderlijke rechtssubject. 10 Art. 1: 114 e.v. BW. 11 Art. 1: 94, lid 1 BW. 12 In dat geval gaat het om de afzondering van het privé-vermogen van de directeur(groot aandeelhouder) van dat van crediteuren van de BV.
3. Voorwaarden voor asset protection De uitvoering van een asset protection-programma dient niet alleen juridisch juist te zijn vormgegeven, maar evenmin extra belastingdruk te veroorzaken.
Er bestaat dan ook een aantal basisvoorwaarden voor het slagen van een asset protection programma.
a. Eén van de basisvoorwaarden is dat het afzonderen van het vermogen juridisch perfect dient plaats te vinden. De vermogensafzondering zelf, dat wil zeggen de overdracht van de onderscheidenlijke vermogensbestanddelen, zal niet vatbaar dienen te zijn voor vernietiging. De overdracht van elk van de vermogensbestanddelen dient op de civielrechtelijk juiste wijze te geschieden. Rechten op naam dienen te worden gecedeerd.13 Roerende zaken dienen feitelijk te worden overgedragen.14 Registergoederen dienen via inschrijving in de openbare registers te worden overgedragen.15 De overdracht dient voorts niet door een actie uit pauliana aangetast te kunnen worden.16 In bepaalde constructies wordt om fiscale of commerciële redenen de civielrechtelijke overdracht van vermogensbestanddelen uitgesteld.17 In dat geval zullen zakelijke zekerheden de nakoming van de leveringsverplichting moeten garanderen.18 b. Een tweede voorwaarde is dat het verkrijgende rechtssubject niet aansprakelijk dient te zijn voor de schulden van de overdragende persoon. Deze voorwaarde is ook evident. Indien de verkrijger van de afgezonderde vermogensbestanddelen (hoofdelijk) aansprakelijk is jegens de schuldeisers van de overdrager (de debiteur) bereikt laatstgenoemde geen voordeel. Diens afgezonderde vermogen blijft verhaalsobject, maar dan via verhaal op een andere schuldenaar (de verkrijger).19 Van aansprakelijkheid van de verkrijger kan sprake zijn bij een paulianeuze of onrechtmatige overdracht van goederen door de debiteur.20 c. Een laatste voorwaarde is dat de overdragende persoon geen (voor verhaal vatbare) aanspraken jegens het verkrijgende rechtssubject zal verwerven. Immers, dergelijke aanspraken gaan dan onderdeel uitmaken van het vermogen van de overdrager en zullen aldus verhaalsobject voor de schuldeisers van de overdrager vormen. Een dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor indien het vermogen wordt overgedragen aan een eigen BV van de overdrager. In dat geval behoudt de overdragende persoon via zijn aandeelhouderschap in de 13 Art. 3:94 BW. 14 Art. 3:90 BW. 15 Art. 3:89 BW. 16 Art. 3: 45 e.v. BW en art. 42 e.v. Faillissementswet. 17 Bijv. ter voorkoming van acute realisatie van stille reserves of ter vermijding van de heffing van overdrachtsbelasting ter zake van de levering (verkrijging) van onroerende goederen. 18 In het kader van securitization (hetgeen ook een vorm van asset protection is) wordt in de Nederlandse praktijk ter vermijding van het mededelingsvereiste een constructie van uitgestelde levering met sancties gehanteerd; zie daarover M.H.E. Rongen, Securitisation en vermogensafzondering van vorderingsrechten op naam, in Onderneming en Effecten, Serie Onderneming en Recht, deel 13, W.E.J. Tjeenk Willink, 1998, blz. 427
e.v. 19 Een dergelijke aansprakelijkheid kan worden gegrond op onrechtmatig handelen van de verkrijger, bijv. indien deze een verwijt kan worden gemaakt meegewerkt te hebben aan de eigendomsoverdracht. Onder bijzondere omstandigheden wordt ook wel zogenoemde omgekeerde aansprakelijkheid aangenomen. In dat geval is de verkrijgende rechtspersoon aansprakelijk voor de schulden van haar bestuurder; zie hierover J. Elbers, De ontvanger contra de verhaalsconstructies: Hoe een kale kip te plukken, WFR 1998/6284, blz. 425. 20 Vgl. o.m. HR 17 november 1967, NJ 1968, 42, HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760 en HR 9 mei 1986, NJ 1986, 792.
verkrijgende BV een belang bij het overgedragen vermogen. Zijn aandelen representeren in meerdere of mindere mate zijn belang bij het overgedragen vermogen. Deze aandelen zijn tevens verhaalsobject voor zijn schuldeisers. Uiteraard kunnen de schuldeisers van de overdragende debiteur niet rechtstreeks verhaal plegen jegens de BV21, maar zij kunnen wel
22 23
de aandelen executeren.Daar de debiteur/aandeelhouder het stemrecht blijft behouden, is een ontbinding en vereffening van de BV niet mogelijk. Niettemin verdient het mijns inziens de voorkeur het af te zonderen vermogen respectievelijk de aandelen in de BV waarin het vermogen is afgezonderd, onder te brengen in een stichting. In dat geval kan elke vermogensrechtelijke relatie met de debiteur worden doorbroken. Dit zal in het volgende onderdeel worden toegelicht.
4. Stichting als vehikel voor vermogensafzondering 4.1 Afwezigheid van een institutioneel kanaal De stichting kent een uitkeringsverbod. 24 Is het vermogen eenmaal aan de stichting overgedragen dan bevindt het zich in de zogenoemde dode hand. Er bestaat geen constitutioneel kanaal tussen de stichting en haar orgaanbemanners of bij haar betrokkenen. De stichting is dan ook naar mijn mening bijzonder geschikt als vehikel voor vermogensafzondering voor het geval van toekomstige, financiële rampspoeden. Door de afwezigheid van een aanspraak jegens de stichting zal door de inbreng van vermogen in de stichting er in beginsel geen verhaal meer bestaan op het ingebrachte vermogen. 25 Dat vermogen is dan als het ware beschermd. Deze bijzondere geschiktheid vloeit voort uit de wettelijke basisconceptie van de stichting. De stichting kent geen institutioneel kanaal als aandeelhouderschap. Oprichters, bestuurders, andere orgaanbemanners noch derden hebben een constitutieve aanspraak26 op het (eigen) vermogen van de stichting.
De inbreng om niet in respectievelijk de uitkering (om niet)27 van in de stichting afgezonderd vermogen kan echter op juridische en fiscale bezwaren stuiten, zoals bijvoorbeeld het verbod tot het doen van uitkeringen alsmede de progressieve heffing van schenkingsrecht (41%68%). 28 Hierna zal worden bezien of en zo ja, in hoeverre dergelijke juridische en fiscale bezwaren zijn te vermijden of te matigen, zodat deze bezwaren niet prohibitief werken voor het gebruik van de stichting als vehikel voor asset protection.
21 Behoudens het geval van omgekeerde aansprakelijkheid. 22 In principe met inachtneming van de blokkeringsregeling (art. 474g, lid 4 Rv). 23 Art. 474ba Rv. 24 Art. 2:285, lid 3 BW. 25 Behoudens wegens terugvordering op basis van een paulianeuze vordering (art. 3: 45 e.v. BW en art. 42 e.v. Faillissementswet) of onrechtmatige daad (omgekeerde aansprakelijkheid) dan wel bij vereenzelviging (negeren van de civielrechtelijke scheidslijn tussen de debiteur en de stichting als afzonderlijke rechtssubjecten). 26 D.w.z. een aanspraak die bestaat uit hoofde van het stichtingenrecht zelf (vgl. art. 2: 285, lid 3 BW). 27 Uitkeringen in de zin van art. 2:285, lid 3 BW zijn per definitie om niet; zie A.G. Lubbers, Stichting en notariële praktijk, WPNR 1978/5439 en J.A.T.J.M. Duynstee, Beschouwingen over de stichting naar Nederlands privaatrecht, 2e druk, 1978, monografie vanwege het Van der Heijden-instituut, deel 4; blz. 61 e.v. 28 Zie hierover C.P.M. van Houte, De stichting in het Nederlandse belastingrecht, Fiscale monografie, nr. 69, Kluwer, Deventer, 1994, blz. 103-126 en blz. 143-159.
4.2 Erkenning van de stichting (civielrechtelijke transparantie) Civielrechtelijke transparantie
Asset protection door middel van de stichting staat of valt met de civielrechtelijke erkenning van de stichting als zelfstandige drager van rechten en verplichtingen in het rechtsverkeer. In geval van de afzondering van vermogen door een debiteur teneinde verhaal door zijn schuldeiser onmogelijk te maken, kan de vraag rijzen of aldus op een rechtsgeldige wijze van de stichtingsfiguur gebruik gemaakt wordt.
Het wettelijk uitgangspunt is dat de stichting zelfstandig rechtssubject is. Aangezien de stichting, zoals elke rechtspersoon, niet zonder natuurlijke personen kan bestaan, zal er toch een zekere relatie met fysieke personen aanwezig zijn.29 Indien die (uiteindelijke) bestuurder een verregaande beschikkingsmacht over het stichtingsvermogen heeft, wordt wel aangenomen dat de stichting slechts een duplicaat van de achterliggende natuurlijke persoon is.30 Indien deze achterliggende natuurlijke persoon de schuldenaar is die zijn vermogen heeft afgezonderd in de stichting, is het voor diens schuldeisers interessant om de stichting als houder van het vermogen weg te denken. Deze schuldeisers zullen in dat geval de stichting als transparante rechtspersoon willen beschouwen. Deze civielrechtelijke transparantie wordt ook wel aangeduid als vereenzelviging of omgekeerde aansprakelijkheid.31
Civielrechtelijke transparantie is een zeldzaam verschijnsel. Vereenzelviging of (civielrechtelijke) transparantie van de stichting32 vormt een dermate grove inbreuk op het wettelijk systeem, dat deze naar mijn mening nooit gehonoreerd zou dienen te worden; ook
33 34
niet in bijzondere omstandigheden.Immers, indien onrechtmatige daad, toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis of pauliana geen grondslag kunnen bieden aan een terugvordering van vermogen, is niet in te zien waarom er een aparte juridische categorie zou moeten worden gecreëerd om de scheidslijn tussen de debiteur en de stichting te negeren; immers, de rechtsgeldige oprichting en de juridische existentie van de stichting worden zonder meer erkend. In de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt dan ook terecht de zogenoemde vereenzelviging onder de categorie onrechtmatige daad geplaatst. Daarbij wordt het ongeoorloofde oogmerk van de debiteur die de stichting beheerst rechtens aangemerkt als het oogmerk van de stichting.35 Volledige of overheersende zeggenschap over de verkrijgende rechtspersoon is hierbij de maatstaf.36 Een zelfde criterium is bekend uit de jurisprudentie inzake fiscale transparantie. Van fiscale transparantie is in de regel sprake
29 Art. 2: 11 BW erkent deze relatie door de bestuurdersaansprakelijkheid van rechtspersonen/bestuurders door te trekken naar de uiteindelijke natuurlijke persoon/bestuurder. 30 Zie J.M. Polak, De Wet op Stichtingen, Tekst en Commentaar, Vermande zonen, IJmuiden, 1956, blz. 72. 31 Hierbij is niet de bestuurder met zijn (privé-)vermogen aansprakelijk voor schulden van de stichting, maar is omgekeerd de stichting aansprakelijk voor de privé-schulden van haar bestuurder/feitelijk leidinggevende. 32 Zie hierover R.W.F. Hendriks, Ook civielrechtelijke ‘transparantie’ van de stichting dient onder omstandigheden te worden aanvaard; ofwel ‘let’s pierce the stichtingsveil’, S&V 1998, blz. 55-57 en J. Elbers, (Oneigenlijke) vereenzelviging van rechtssubjecten voor de heffing en inning van belastingen, WFR 1997/6257 en Vereenzelviging: de verschijningsvormtheorie exit?, WFR 2001/6418. 33 Uitzonderlijke omstandigheden zijn door de Hoge Raad in zijn arrest van 13 oktober 2000, V-N 2 november 2000, blz. 4439-4444 als noodzakelijke voorwaarden vereist voor vereenzelviging. De Hoge Raad refereert daarbij aan zijn arrest van 9 juni 1995, NJ 1996, 213. 34 Inclusief categorieën als ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling. 35 Vgl. HR 13 oktober 2000, V-N 2 november 2000, blz. 4439-4444. 36 HR 13 oktober 2000, V-N 2 november 2000, blz. 4442, r.o.3.5.
indien de bestuurder over het stichtingsvermogen kan beschikken als ware het zijn eigen
37
vermogen. In zijn arrest van 10 januari 199638 relativeert de Hoge Raad de effecten van fiscale transparantie door te overwegen dat: "de enkele omstandigheid dat over het vermogen van een lichaam
als waarvan hier sprake is door iemand kan worden beschikt als ware het zijn eigen vermogen, heeft voor de toepassing van de fiscale wetgeving gevolgen voor de financiële transacties die gedurende die situatie tussen lichaam en degene die de beschikkingsmacht heeft plaatsvinden, maar kan niet ertoe leiden dat het vermogen dat reeds voor het ontstaan van vorenbedoelde situatie in het lichaam aanwezig was vanaf het ontstaan van die
situatie geacht moet worden door degene die de beschikkingsmacht heeft aan het lichaam te zijn onttrokken. "
Aldus wordt pas (fiscale) transparantie aangenomen bij een werkelijk uitoefenen van beschikkingsmacht. Er bestaat aldus een duidelijke parallel tussen de beperkte effecten van volledige beschikkingsmacht in het belastingrecht en in het burgerlijk recht. Immers, in zijn arrest van 13 oktober 200039 wil de Hoge Raad aan de volledige beschikkingsmacht evenmin het gevolg van vereenzelviging toekennen, omdat de door de onrechtmatige daad (bestaande in het misbruik dat wordt gemaakt van het identiteitsverschil tussen rechtssubjecten door beslissende of overwegende zeggenschap) ontstane schade niet zonder meer gelijk is aan de verijdelde vordering van de schuldeisers van degene die zijn vermogen in het transparante lichaam beoogde af te zonderen. De Hoge Raad is van oordeel dat de schade door het misbruik niet gelijk is aan het gehele vermogen van de rechtspersoon waarover volledige of overwegende zeggenschap kan worden uitgeoefend. Dit civiele arrest past in de lijn van het vorengenoemde fiscale arrest uit 1996, waarin aan volledige of overheersende zeggenschap pas betekenis wordt toegekend nadat die zich heeft geuit in concrete transacties.
Ik beschouw deze nieuwe jurisprudentie als een belangrijke kentering ten opzichte van de oude jurisprudentie waarin fiscale en civiele transparantie (vereenzelviging) te gemakkelijk werd aangenomen; namelijk ook zonder dat de daaraan ten grondslag liggende beschikkingsmacht metterdaad was uitgeoefend (of, voor het burgerlijk recht, misbruikt).40
Toerekening oogmerk debiteur aan de stichting
Voor het kunnen aanspreken van de stichting waarin het vermogen van de debiteur is afgezonderd, zal de stichting een verwijt gemaakt moeten kunnen worden. Bij volledige of overheersende zeggenschap over de stichting wordt dat verwijt (onrechtmatig handelen) gebaseerd op het ongeoorloofde oogmerk van de debiteur dat wordt toegedicht aan de door deze beheerste stichting. Daarmee wordt de stichting met haar vermogen aansprakelijk voor de schade, bijv. de door de vermogensafzondering niet betaalde schulden van de inbrengende debiteur.
Het ongeoorloofde oogmerk zal niet zo zeer de oprichting van de asset protection-stichting betreffen, maar veeleer de vermogensafzondering (de inbreng) in de stichting, waarbij het bestuur van de stichting er weet van heeft of behoort te hebben dat (bijv.) de overdragende debiteur door de vermogensafzondering zijn crediteuren ongeoorloofd beoogd te benadelen. Bij een schuldenaar die lang vóórdat vrees voor benadeling van schuldeisers aan de orde is41 zijn vermogen binnen een stichting afzondert en in zijn transacties met de stichting die
37 Zie o.m. HR 30 oktober 1985, BNB 1986/16; zie ook C.P.M. van Houte, Fiscale transparantie bij stichtingen, WFR 1992/6027. 38 BNB 1996/94. 39 V-N 2 november 2000, blz. 4442, r.o. 3.5. 40 Civielrechtelijk of financieel misbruik speelt geen rol bij de vaststelling van fiscale transparantie, omdat voor belastingheffing (dus niet belastinginvordering) wordt geabstraheerd van de legaliteit van een (rechts)handeling. 41 In de zin van art. 3:245 BW (actio Pauliana).
vermogensafzondering ook erkent, zal geen sprake zijn van duplicering van zijn persoon in de stichting. Hetzelfde geldt wanneer op zakelijke voorwaarden met de stichting wordt gehandeld ("at arm's length"). Er zal de stichting dan geen verwijt gemaakt kunnen worden van onrechtmatige benadeling van schuldeisers. De rechtsgrond voor vereenzelviging vervalt dan.
De mogelijk volledige of overheersende zeggenschap binnen de stichting wordt immers door de contractpartij (de debiteur) niet misbruikt. Verhaal van de schuldeisers van de debiteur op de stichting is in dat geval ook niet mogelijk. Het voorgaande geldt des te sterker, indien niet de debiteur zelf als bestuurder van de stichting optreedt maar dat overlaat aan een onafhankelijke derde.42 Er is dan in beginsel geen volledige of overheersende zeggenschap aanwezig bij de inbrengende debiteur. In geval van een tijdig en zakelijk uitgevoerd asset protection programma in de vorm van vermogensafzondering in de stichting zal evenmin sprake zijn van onbehoorlijk bestuur. Dat is slechts anders indien de bestuurder bijv. slechts stroman van de debiteur is en alles doet wat de debiteur hem opdraagt. In dat geval kan het onrechtmatig handelen van de debiteur als feitelijk leidinggevende aan de stichting worden toegerekend.
5. Wijzen van vermogensafzondering binnen de stichting Verkoop met al dan niet uitgestelde levering
Vermogensafzondering binnen de stichting zal teneinde de overdracht niet paulianeus te maken niet onverplicht dienen te geschieden. Er zal aan de overdracht een verplichting ten grondslag moeten liggen. Een in de praktijk veel gehanteerde titel is verkoop. Deze titel geeft de verkoper, wiens vermogen beschermd dient te worden, echter recht op een koopsom. Deze koopsom of het recht op betaling daarvan is onderdeel van diens voor verhaal vatbare vermogen. Indien de koop echter reeds lang vóór enig financieel debâcle heeft plaatsgevonden, zal de waardestijging van het verkochte object in elk geval aan de stichting ten goede komen en dus niet een tegenhanger in de bedongen koopsom vinden. Overigens kan de koopsom op lange termijn reeds zijn verbruikt of in moeilijk te executeren vorm zijn gegoten.
Bij verkoop -zonder onmiddellijke juridische overdracht43 -is het noodzakelijk de stichting zakelijke zekerheidsrechten (pand of hypotheek) te geven ter zekerheid van de nakoming door de verkoper van zijn leveringsverplichting. In de praktijk wordt ook wel het recht van gebruik of bewoning voorbehouden door de overdrager. Het maken van deze voorbehouden heeft een prijsdrukkend effect. Bij de overdracht van onroerende zaken kan daarmee
42 In de praktijk zal dat vaak niet gewenst zijn. Immers, de stichtingsbestuurder kunnen binnen de grenzen van de wet en statuten over het stichtingsvermogen beschikken. Uitsluitend door een contract kan hier de tot op zekere hoogte de bestuurder aan banden worden gelegd. Een contract heeft echter uitsluitend obligatoire, geen goederenrechtelijke werking. Indien het bestuur wordt uitbesteed aan betrouwbare partners, zoals trustkantoren van erkende banken is het risico beperkt. Die obligatoire beperkingen zullen mijns inziens niet tot een beperking van de beschikkingsmacht in de zin van de vereenzelvigingsproblematiek leiden. Immers, een contract kan worden geschonden, zodat de macht uiteindelijk bij de statutaire bestuurder ligt. (Vgl. de jurisprudentie van de CRvB waarbij stemrechtovereeenkomsten worden genegeerd voor de beoordeling van de sociale verzekeringsverplichting van directeuren/aandeelhouders met een minderheidsbelang). 43 Bijvoorbeeld ter besparing van overdrachtsbelasting of vennootschapsbelasting over gerealiseerde stille reserves dan wel ter ontwijking van het mededelingsvereiste bij vorderingen op naam (in geval van securitization).
overdrachtsbelasting worden bespaard. Het (voorbehouden) recht van gebruik of bewoning is
44
verder niet executeerbaar.
In geval van verkoop van goederen aan de stichting, waarbij het risico van waardeverandering aan de stichting ten goede komt, zal er zich vermogen binnen de stichting kunnen gaan vormen. Dat vermogen zal zich bij de stichting in de dode hand bevinden. Teneinde deze waardestijging niet in de dode hand te laten, zou de debiteur een optie daarop kunnen worden voorbehouden. Deze optie zal echter niet opeisbaar (uitoefenbaar) mogen zijn zolang de overdragende persoon (de debiteur) nog bloot staat aan significante financiële risico's. Door middel van de constructie van opschortende voorwaarde kan een en ander worden bewerkstelligd. De opschortende voorwaarde dient zodanig geformuleerd te zijn dat deze bijvoorbeeld pas in werking treedt als er (cumulatief): geen faillissement (inclusief surséance van betaling of persoonlijke schuldsanering) bij de gerechtigde aanwezig is, noch een faillissement (inclusief surséance van betaling of persoonlijke schuldsanering) waarschijnlijk binnenkort is te verwachten en een eventueel faillissement is geëindigd door een voor de debiteur financieel acceptabele homologatie van een akkoord.
In geval van een nog door de debiteur in eigendom te verwerven zaak kan de koop en juridische levering daarvan rechtstreeks aan de stichting plaatsvinden. De stichting kan daarbij de financieringskosten betalen uit de van de debiteur ontvangen huur-of leasetermijnen.45 Ook hier kan worden gewerkt met een optie onder opschortende voorwaarde ten behoeve van de huurder/debiteur.46
Certificering
De certificering van vermogen biedt het voordeel dat de beschikkingsmacht over het vermogen in één hand wordt geplaatst. Hierdoor kan een zekere continuïteit ter zake van het gecertificeerde vermogen worden bewerkstelligd. Certificering kan daardoor als instrument van asset protection worden gehanteerd. Door het separeren van de zeggenschap over het gecertificeerde vermogen in een aparte rechtspersoon (stichting/administratiekantoor) kunnen schuldeisers hooguit verhaal plegen op de certificaten, maar zij kunnen de onderliggende, gecertificeerde vermogensbestanddelen in beginsel niet executeren.
Certificering is dan ook een frequent gehanteerd instrument ter bescherming tegen vijandige overnamen binnen het (beursgenoteerde) bedrijfsleven.47 Binnen het midden-en kleinbedrijf kan het echter ook effectief worden ingezet ter bescherming van de eigen onderneming in bijvoorbeeld de BV-vorm.48 In geval van een faillissement van de enig certificaathouder (de debiteur), die tot dan toe tevens enig stichtingsbestuurder is, zou er een nieuwe
44 Immers, het zijn persoonsgebonden rechten; art. 3:226 BW. 45 Teneinde het bodemrecht van de ontvanger (art. 22 Invorderingswet 1990) te vermijden, zullen de zaken wel reële eigendom van de stichting dienen te zijn. Daarvoor zal het risico van tenietgaan, beschadiging, waardeverandering en de verzekering van de zaak in beginsel bij de stichting moeten berusten. 46 In geval van een onroerende zaak kan worden bepaald dat de levering aan de stichting plaatsvindt onder ontbindende voorwaarde dat op een bepaald toekomstig tijdstip er niet of niet langer juridische gevolgen van een plaatsgevonden financiële rampspoed bij de debiteur aanwezig zijn. De teruglevering in de toekomst kan dan vrij van overdrachtsbelasting geschieden; art. 19 Wet op belastingen van rechtsverkeer. 47 Zie F.J.P. van den Ingh, Certificering en certificaat van aandeel bij de besloten vennootschap, Monografie vanwege het Van der Heijden instituut, nr. 35, Kluwer, Deventer, 1999, blz. 52 e.v. 48 Certificering leidt onder omstandigheden niet tot de heffing van inkomstenbelasting ter zake van inkomen uit aanmerkelijk belang; zie Resolutie van 23 maart 1962, B2/3678, BNB 1962/207.
stichtingsbestuurder kunnen worden benoemd.49 Op deze wijze wordt de curator van de debiteur buiten de deur gehouden.
Indien daarenboven de certificaten zijn bezwaard met zakelijke zekerheidsrechten50 of onder opschortende voorwaarde51 zijn overgedragen aan een separaat lichaam (bijv. een andere stichting dan het administratiekantoor) is de bescherming compleet. In dat laatste geval zal natuurlijk ter vermijding van heffing van schenkingsrecht respectievelijk een beroep op de actie uit Pauliana, een bepaalde prijs voor de af te zonderen certificaten betaald dienen te worden. Deze prijs kan onder bepaalde voorwaarden vrij laag liggen. Immers, indien door de debiteur wordt bedongen dat de vermogensstijging van de overgedragen certificaten aan hem dan wel zijn rechtsopvolgers ten goede komen, zal er geen significante vermogensvorming binnen de stichting plaatsvinden. Er kan hierbij zelfs met een zogenoemde “deep-in-themoney”- collar-optie worden gewerkt. De overdrager heeft dan het recht op de overgedragen certificaten voor een lagere prijs dan de werkelijke waarde terug te kopen. De verkrijgende stichting heeft slechts recht op een geringe waardestijging.52 Indien de debiteur slechts het recht heeft deze optie op termijn uit te oefenen bij afwezigheid van financiële insolventies, is het vermogen dus zonder fiscale hindernissen veilig geparkeerd.
Uiteraard zal het samenstel van rechtshandelingen wel enige werkelijke betekenis dienen te hebben teneinde te vermijden dat sprake is van schijnhandelingen. In de literatuur worden daar bepaalde criteria voor genoemd.53 Het belangrijkste criterium is of er sprake is van beschikkingsmacht over het vermogen als ware het eigen vermogen. In geval van certificering van vermogen zal een dergelijk criterium echter naar mijn mening betekenisloos zijn. De ratio van certificering is juist het splitsen van eigendom en zeggenschap.54 Aan die splitsing kunnen allerlei, legitieme redenen ten grondslag liggen.55 Benadeling van schuldeisers is daarbij in de regel zeker niet het primaire doel. Ik meen dan ook dat bij een certificeringstichting waarvan de debiteur enig bestuurder is geen misbruiksituatie oplevert is; zeker niet na diens uittreden als bestuurder. Van vereenzelviging zal bij een certificeringstichting dus in beginsel geen sprake kunnen zijn.
Testamentaire regeling
In verband met het vermijden van een vermogenstoename bij de debiteur is het van belang om hem gedurende diens financiële insolventie geen erfrechtelijke verkrijging ten deel te laten vallen. Daarom zal in het testament van zijn potentiële testateurs (o.a. zijn echtgenoot, ouders en kinderen) een regeling moeten worden opgenomen die zijn testamentaire rechten parkeert bij een derde. De stichting is daarvoor het meest geschikte rechtssubject.56 Immers, de
49 Het bestuursbesluit tot benoeming dient reeds te worden genomen onder de voorwaarde van faillissement of surséance van betaling. 50 De debiteur/certificaathouder zal diens pandrecht ingevolge art.3:259, lid 2 BW uiteraard dienen over te dragen aan de verkrijgende stichting (niet zijnde het administratiekantoor). 51 Waarbij als opschortende voorwaarde het intreden van verschillende "contingencies" kan gelden. 52 Binnen een bepaalde bandbreedte ("collar"). 53 Zie J. Elbers, De ontvanger contra de verhaalsconstructies: Hoe een kale kip te plukken, WFR 1998/6284 en Vereenzelviging: de verschijningsvormtheorie exit?, WFR 2001/6418. 54 Vgl. HR 1 juli 1988, NJ 1989, 226, waarin is overwogen dat een certificering van aandelen (in een besloten familievennootschap), waarbij de certificaten niet royeerbaar zijn, niet maatschappelijk onaanvaardbaar is. 55 Zie C.AE. Uniken Venema en S.E. Eisma, Eigendom ten titel van beheer naar komend recht, Preadvies van de Vereeniging 'Handelsrecht', 1990, blz. 59/60. 56 De stichting kan zowel tijdens het leven van de testateur als ter zake van zijn overlijden worden opgericht (art.
2: 288 BW); zie hierover A.G. Lubbers, Stichting en notariële praktijk, WPNR 1978/5439; zie ook L.C.A. Verstappen, De stichting tot afwikkeling van een nalatenschap, WPNR 1996/6245 en 6246.
stichting kan anders dan natuurlijke personen voor onbepaalde tijd bestaan en is in beginsel niet belastingplichtig voor inkomsten.57 Aan de stichting kan de erfrechtelijke verkrijging die zonder financiële insolventie door de debiteur zou zijn verkregen van de testateur worden gelegateerd.58 Een dergelijk legaat dient gemakshalve bij voorkeur een geldlegaat te zijn. Dat geldlegaat wordt door de stichting verkregen onder de last dat bedrag te beleggen en pas uit te keren aan de debiteur als lastbevoordeelde indien op deze weer in goede doen is.59 Het door de stichting verschuldigde successierecht kan deze recupereren bij uitkering aan de lastbevoordeelde debiteur.60 Een en ander kan bovendien met gebruikmaking van de fiscale constructie van het zogenoemde groei-testament.61
6. Fiscale aspecten van vermogensafzondering binnen de stichting De vermogensafzondering in de stichting is veelal aanknopingspunt voor belastingheffing.
Voor ondernemers is de overdracht van vermogenbestanddelen belastbaar met inkomsten-of vennootschapsbelasting, indien en voor zover daardoor stille reserves (= verschil (reële) verkoopprijs minus boekwaarde) worden gerealiseerd.62 Deze belastingheffing kan prohibitief werken voor vermogensafzondering. Het is daarom van belang dat een programma van asset protection reeds in een vroeg stadium wordt opgezet, d.w.z. voordat er stille reserves zijn gevormd. Een vroegtijdige opzet van een asset protection-structuur voorkómt bovendien een succesvol beroep op pauliana.
De overdracht van onroerende zaken is in beginsel onderworpen aan overdrachtsbelasting.63 Hetzelfde geldt voor de certificering van onroerende zaken respectievelijk overdracht van certificaten van onroerende zaken of van aandelen in een onroerend goed-lichaam.64 Deze bezwaren zijn te ondervangen door de stichting niet de onroerende zaken te laten verkrijgen, maar deze slechts een met hypotheek of pand verzekerd recht op levering te verschaffen.65 Het vestigen van zakelijke zekerheidsrechten is namelijk niet belastbaar met overdrachtsbelasting.66
57 Art. 2, lid 1, letter d Wet Vpb 1969. 58 Aangezien de testateur geen debiteur is, zal het legaat niet kunnen worden aangetast met een beroep op pauliana of wegens onrechtmatige daad. Indien de debiteur legitimaris is, kan de curator namens de debiteur een beroep op de legitieme portie doen. 59 Meer of minder ruim te definiëren als bijv. het niet (binnenkort) failliet zijn van de debiteur (inclusief surcéance van betaling of persoonlijke schuldsanering) dan wel niet langer failliet zijn na homologatie van een akkoord. 60 HR 2 maart 1966, BNB 1996/106. 61 Zie C.P.M. van Houte, Fiscale kijk op testament, Fiscale monografie, nr. 85, Kluwr, Deventer, 1998, hoofdstuk 7. 62 Art. 3.8 Wet IB jo. art. 8 Wet Vpb 1969. 63 Art. 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer. 64 Certificaten op onroerende zaken worden als een vorm van economische eigendom beschouwd; MvT Kamerstukken II, 1999/2000, 27 030, nr. 3, gepubliceerd in V-N 2000/12.1, blz. 1078. 65 Art. 5 Wet op belastingen van rechtsverkeer. 66 Op het moment dat metterdaad wordt geleverd, zou dat kunnen plaatsvinden onder de ontbindende voorwaarde dat de crediteuren geen verhaal meer op de debiteur kunnen verhalen. Het in werking treden van de ontbindende voorwaarde heeft tot gevolg dat de betaalde overdrachtsbelasting kan worden teruggevraagd; art. 19, lid 1, letter a Wet op belastingen van rechtsverkeer.
De heffing van schenkingsrecht vormt in de praktijk vaak het grootste obstakel voor de inbreng van vermogen in een stichting.67 Immers, de stichting wordt als derde beschouwd, zodat het progressieve niet-verwantentarief van toepassing is.68 Het in een asset protectionstichting af te zonderen vermogen zal dan ook tegen betaling moeten worden afgezonderd. In dat geval is er geen sprake van een (materiële) schenking.69 De door de debiteur in retour ontvangen koopsom gaat uiteraard wel onderdeel van diens vermogen uitmaken. Uiteraard kan hij dit vermogen hetzij consumeren, hetzij in minder eenvoudig te executeren vermogen
70
converteren.
7. Conclusies Ter beperking van de risico’s waaraan men tegenwoordig als ondernemer of als vrije beroepsbeoefenaar bloot staat, kan het overweging verdienen een zogenoemd asset protectionprogramma uit te voeren. Een asset protection-programma beoogt de afzondering van vermogen in een separaat rechtssubject teneinde verhaal door schuldeisers van de debiteur te voorkomen. In dit artikel werd de mogelijke rol die de stichting daarbij kan spelen behandeld. De stichting is door de afwezigheid van een constitutioneel kanaal en haar uitkeringsverbod bij uitstek geschikt om als asset protection vehikel dienst te doen. De civielrechtelijke scheidslijn tussen de debiteur en de door hem opgerichte asset protection-stichting is daarmee compleet. Pogingen om de debiteur en 'zijn' asset protection-stichting te vereenzelvigen stuiten af op de nieuwste jurisprudentie van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie laat een trend zien die minder snel tot (civielrechtelijke of fiscale) transparantie leidt. Hierdoor zal de betekenis van de stichting als asset protection vehikel toenemen.71 Tot slot werd kort stilgestaan bij de fiscaalrechtelijke implicaties van vermogensafzondering in de stichting. Belastingheffing is bij afzondering van vermogen in een stichting onder bepaalde voorwaarden te vermijden. De conclusie luidt dat een tijdig uitgevoerd asset protection-programma met een stichting een relatief goedkope en voldoende effectieve (onshore72) vermogensbescherming verdient.
C.P.M. van Houte 67 Zie hierover C.P.M. van Houte, De stichting in het Nederlandse belastingrecht, Fiscale monografie, nr. 69, Kluwer, Deventer, 1994, hoofdstuk 6. 68 Het tarief bedraagt 41%-68%; art. 24, lid 1 Successiewet 1956. 69 Een geslaagd beroep op art. 3:45 BW (actio Pauliana) wordt dan ook in beginsel onmogelijk. 70 Bijv. een kapitaalverzekeringsovereenkomst met als herroepelijk begunstigde een buitenlandse rechtspersoon in een taz haven wiens aandelen in eigendom zijn van een off shore trust in een jurisdictie alwaar de executie van Nederlandse vonnissen onmogelijk is. De aanvaarding van de begunstiging kan onder de opschortende voorwaarde van een faillissements-of surséance-aanvraag van de verzekeringnemer, teneinde acute heffing van schenkingsrecht over de premies respectievelijk de rechten uit de polis uit te stellen. 71 Andere voordelen van de stichting zijn de snelle oprichting zonder preventief antecedentenonderzoek en de afwezigheid van een minimum vermogenseis. 72 In voorkomende gevallen wordt ook gewerkt met offshore asset protection-programma's, welke echter aanzienlijk duurder zijn.
|
|